Collecting Suburbia

Conservator Mayke Groffen van Museum Rotterdam onderzoekt verzamelpraktijken op het gebied van naoorlogse wooncultuur met een NWO-museumbeurs

Mayke Groffen, conservator moderne stadscultuur bij Museum Rotterdam, doet de komende vier jaar met een promotiebeurs van NWO bij het Centre for Historical Culture van de Erasmus Universiteit onderzoek naar verzamelpraktijken op het gebied van naoorlogse wooncultuur, onder de titel Collecting Suburbia.

Musea hebben een rijke traditie op het gebied van wooncultuur. Dit loopt uiteen van stedenbouw en architectuur tot aan interieur en inrichting. De collecties bevatten maquettes en modellen, afbeeldingen van stadsgezichten en woninginterieurs, of voorwerpen die een sociale kant van de wooncultuur belichten, zoals affiches en spandoeken met protesten tegen huurverhoging. Maar ook complete woninginterieurs, losse meubels, bouwfragmenten, kunstnijverheid en design en voorwerpen voor dagelijks huishoudelijk gebruik zijn in museumcollecties vertegenwoordigd.

Collecting Suburbia brengt uiteenlopende verzamelpraktijken op het gebied van wooncultuur uit de naoorlogse periode in kaart. Onderzoeker Mayke Groffen zet deze verzamelpraktijken tegenover elkaar in het licht van hedendaagse museologische discussies over eigentijds verzamelen. Haar uiteindelijke doel is te komen tot een nieuwe, goed onderbouwde verzamelmethode. Groffen zal deze nieuwe verzamelmethode meteen toetsen in het naoorlogse Rotterdamse stadsdeel Prins Alexander. De resultaten worden in het najaar van 2019 in een tentoonstelling gepresenteerd. De tentoonstelling vormt de basis van de laatste onderzoeksfase, waar samenwerking tussen museumprofessionals en stadsbewoners inzicht moet geven in de mogelijkheden en de gevolgen van verschillende verzamelmethoden op het gebied van naoorlogse en eigentijdse wooncultuur.

De promovenda reflecteert in haar onderzoek ook op haar eigen ervaring als conservator bij Museum Rotterdam. Een bijzondere casus in dit verband is de geschiedenis van de woonkamer van tante Nel, een stijlkamer uit 2001.


De woonkamer van tante Nel in de oorspronkelijke opstelling aan de Prins Hendrikkade 117b in Rotterdam. Foto Evelien van Dijk.

De woonkamer van Tante Nel

Tante Nel is een fictief personage, bedacht door kunsthistoricus Marc Adang. Hij schreef in 2001 haar levensverhaal, dat de leidraad vormde bij de samenstelling van een interieur in een tijdelijke museumwoning aan de Prins Hendrikkade 117b. In 2001, het jaar dat Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa was, was deze woning een van de 24 museumwoningen. Na afloop van de manifestatie Thuis in Rotterdam nam Museum Rotterdam de inrichting van de woonkamer van tante Nel op in de collectie.

Groffen: “Dit interieur beschouwden wij als conservatoren destijds als het meest overtuigende interieur van de tijdelijk ingerichte museumwoningen. Het was geen ‘klinisch’ beeld van een moderne stijl in een bijpassende context, maar een geloofwaardig woonvertrek dat als het ware was meegegroeid met het leven van de bewoonster tot op de dag van vandaag. De puzzel was - nog niet eens half af - even terzijde gelegd en onder het Perzisch tafelkleed geschoven, de telefoongids uit 2001 lag onder handbereik.

Vanwege de enorme hoeveelheid objecten die was gemoeid met de inrichting van het huis én omdat het onwaarschijnlijk was dat we nog eens zo’n zelfde huis tot onze beschikking zouden hebben, besloten we om niet alle meubilair op te nemen. We beperkten ons tot de inrichting van de woonkamer als gedeelde ruimte voor een gezin, en tevens als ontvangstruimte van gasten. Het is een ruimte die zowel privé- als representatieruimte is. Daarmee kozen we er dus ook voor om de inrichting van de slaapkamer en de keuken niet op te nemen.  

Van het bijeengebrachte ensemble is in 2002-2003 een klein gedeelte in een tentoonstelling opgenomen. Hoewel er in 2011 plannen waren om de woonkamer opnieuw in een woning op het Noordereiland te installeren, is dat door een samenloop van omstandigheden niet doorgegaan. De woonkamer van tante Nel is na 2001 niet opnieuw in zijn geheel gepresenteerd.

Stel dat het museum het interieur nogmaals wil opstellen, laten we het dan zien als een stijlkamer uit 2001? Of laten we het bijvoorbeeld verder meegroeien in de tijd? Het lijkt een aantrekkelijk idee om de dikke telefoongids de deur uit te doen en de grijze PTT-telefoon te vervangen door een moderner mobieltje. Anderzijds: hoe geloofwaardig worden deze aanpassingen met het oog op de (fictieve) leeftijd van tante Nel? Hoe groot is de kans dat Nel nog zelfstandig woont aan de Prins Hendrikkade? Moeten we verder schrijven aan de biografie en het interieur aan de gewijzigde situatie aanpassen?”

Het zijn precies dit soort vragen die de aanleiding vormen voor het onderzoek van Mayke Groffen. In Collecting Suburbia zal zij de stijlkamer, wellicht de meest bediscussieerde museale traditie op het gebied van wooncultuur, als ‘museummedium’ analyseren. Deze benadering is echter breder dan het stijlvaste elite-interieur uit een voorbij verleden. Groffen onderzoekt onder andere in hoeverre de stijlkamer een valide concept is voor alledaagse naoorlogse en contemporaine interieurs.

Wilt u meer over het onderzoek weten, neemt u dan contact op met Mayke Groffen.