SHNI-studiedag "de Tuinkamer" op Trompenburgh

Op donderdag 19 mei 2016 werd voor de vijfde keer een studiedag van de SHNI gehouden, welke ditmaal - nadat tussen 2008 en 2015 eerder de eetkamer, slaapkamer, keuken en badkamer de revue waren gepasseerd - geheel aan het fenomeen ‘tuinkamer’ was gewijd. De studiedag, welke buiten gepaard ging met een koesterende lentezon, vond plaats op de charmante buitenplaats Trompenburgh te ’s-Graveland, die zich hiervoor - zoals hieronder nader zal blijken - uitstekend leende.

Na de ontvangst van de deelnemers opende de dagvoorzitter Drs Thijs Boers (op het meer dan schappelijke tijdstip van 10.30 uur) de studiedag, nadat het gezelschap eerst welkom was geheten door Eric Hania, voorzitter van INVK Trompenburgh.
 


De koepelkamer als tuinkamer

De spits van deze studiedag werd afgebeten door Ir Leo Wevers, die aan de hand van ‘koepelkamers’ in de Vechtstreek inging op het gebruik van de koepelkamer als tuinkamer, waarbij hij in het bijzonder Huis ten Bosch en Gansenhoef (beide te Maarssen) en Vreeden Hoff (bij Nieuwersluis) onder de loep nam. De koepelkamer (of koepelzaal) is een hoge, uitgebouwde kamer - een onderdeel van het huis, dit in tegenstelling tot een koepel (theekoepel of folly, ook aan geduid als speelhuis, paviljoen, zomerhuis of lusthuis) die van het huis losstaat. Drie typen koepelzalen kunnen, aldus de heer Wevers, onderscheiden worden: de Italiaanse koepelzaal (twee lagen hoog, ín het bouwlichaam opgenomen, zoals de koepelzaal van Huis ten Bosch - het paleis, wel te verstaan - uit 1647), de veelvoorkomende Franse koepelzaal (rechthoekig of driezijdig uitgebouwd uit de gevel, vaak even hoog als de aangrenzende vertrekken, zoals die van de huizen Vechtvliet en Rupelmonde) en tot slot de Amsterdamse koepelzaal van twee lagen, welke geheel is uitgebouwd. De heer Wevers merkte op dat op dit laatste type nog een variant bestaat, waarbij de koepelzaal bestaat uit één bouwlaag met een aparte bovenzaal en zodoende als een hybride tussen de Franse en Amsterdamse koepelzaak beschouwd kan worden; een voorbeeld van een dergelijke koepelkamer is te vinden bij huize Oostermeer (1724), het welbekende buiten aan de Amstel.

Huis ten Bosch (bij Maarssen), Gansenhoef, Queekhoven en Vreeden Hoff hebben alle een zogenaamde Amsterdamse koepelzaal, gecreëerd tussen circa 1720 en 1750. De Amsterdamse koepelkamer lag doorgaans aan het einde van een gang en kon separaat van het huis gebruikt worden. In de zeventiende en achttiende eeuw stond de zaal in beginsel niet rechtstreeks in verbinding met de tuin: bovenal ging het erom dat vanuit deze zaal een uitzicht op de tuin genoten kon worden. Een koepelzaal leende zich over het algemeen uitstekend als eetkamer en was dikwijls als zodanig in gebruik: vaak is de zaal dan ook voorzien van een buffetnis en fonteintje en bevond de keuken zich eronder.

Uiteraard werd door de heer Wevers ook gewezen op de koepelzaal van Trompenburgh, waar het gezelschap de dag grotendeels doorbracht. Zowel qua grootte als qua representativiteit mag deze imposante ‘aangebouwde koepelzaal’ uniek mag worden genoemd. Hij vermoedt dan ook dat deze zaal van invloed is geweest op de verdere ontwikkeling van zowel koepels als koepelkamers bij buitenplaatsen.



 

De tuinkamer op Akerendam

Van de luisterrijke koepelkamers aan de Vecht werden de toehoorders vervolgens meegenomen naar Kennemerland. Drs Ruth Jongsma hield een interessant relaas over haar materiaaltechnisch onderzoek naar de tuinkamer op het huis Akerendam bij Beverwijk, een buitenplaats die tussen 1636 en 1639 was gesticht door Jan Bicker, telg van het befaamde Amsterdamse regentengeslacht van die naam. Het huis, dat medio achttiende eeuw door de Amsterdamse schepen Jan Lucas Pels ingrijpend werd verbouwd (Cornelis Pronck wist het huis in 1756 in zijn nieuwe glorie te vereeuwigen), kwam in 1852 in handen van Mr Willem Louis Sluyterman van Loo en is sinds het overlijden van diens dochter Frederica Henrietta in 1916 eigendom van het Fonds (thans de Stichting) Sluyterman van Loo.

Akerendam beschikt over een inpandige tuinkamer of -zaal (ook ‘achterkamer’ genoemd) met fraai stucplafond, daterend uit de jaren 1750. Tot voor kort werd aangenomen dat het interieur van deze kamer in de negentiende eeuw was geassembleerd, aangezien de diverse onderdelen van uiteenlopende ouderdom zijn: de schouw kan worden gedateerd rond 1725-1730 en de betimmeringen werden lange tijd rond 1760-1770 of zelfs later - ná de totstandkoming van deze tuinkamer - gedateerd. De dessus-de-portes zijn weer van iets vroegere datum dan de betimmeringen. Uit materiaaltechnisch onderzoek is echter gebleken dat alle onderdelen reeds bij de verbouwing rond 1750 tezelfdertijd, in één keer, zijn samengevoegd; er zijn weliswaar kleine stijlverschillen tussen sommige elementen, maar dat is een welhaast onvermijdelijk gevolg van de diverse ambachtslieden die bij de totstandkoming van het interieur betrokken waren. De fraaie schilderingen - de vier seizoenen verzinnebeeldend - en de overige interieur-elementen vormen daarmee wel degelijk een ensemble dat specifiek voor deze tuinkamer is gecreëerd.



 

De natuur in huis

De ochtend werd afgesloten door Dr Richard Harmanni, die op even enthousiasmerende als boeiende wijze illustreerde hoe de natuur in huis gehaald kon worden - niet alleen in de tuinkamer, maar ook in andere ruimten. Aan de hand van wandschilderingen uit de achttiende en negentiende eeuw ging hij in op de vraag wat nu als ‘tuinkamer’ bestempeld zou kunnen worden, waarbij nader werd ingegaan op voorbeelden van prachtige, rijkelijk met idyllische natuurtaferelen gedecoreerde kamers zoals die in de Amsterdamse patriciërshuizen Herengracht 289 (Huis van Brienen) en Keizersgracht 524. 

In dit kader werd, geheel terecht, de bekende Jurriaan Andriessen (1742-1819) ten tonele gevoerd, die naam en faam heeft gemaakt met zijn fraaie schilderingen in huizen en buitens van (met name) de Amsterdamse ‘haute volée’ van zijn tijd; een bekend voorbeeld van een door Andriessen verfraaid interieur is dat van het Huis te Manpad bij Heemstede. Van de 76 opdrachtgevers van Andriessen die bekend zijn kwam 90% uit Amsterdam. Van 52 vertrekken waarin Andriessen gewerkt heeft is de exacte locatie in huis bekend, waaruit vrij nauwkeurig gedestilleerd kan worden voor welk soort kamers Andriessen bovenal in de arm werd genomen: 22 van deze 52 vertrekken betroffen ‘zalen’ en in 21 gevallen ging het om zijkamers, terwijl hij slechts vijf eetkamers (waaronder die van Dirk Luden, Keizersgracht 105) en drie ‘binnenkamers’ van schilderingen voorzag.

Dr Harmanni benadrukte dat het bij dergelijke wandschilderingen niet altijd ging om een (kunstmatig) verlengstuk van de tuin, ogenschijnlijk doorlopend in de tuin zelf: ook in kamers aan de voorzijde - de straatzijde - van huizen komen dergelijke landschappelijke wandschilderingen voor, zoals bij het Huis de Dieu te Alkmaar (Langestraat 114) en de huizen Rapenburg 67 te Leiden, Kneuterdijk 3 te Den Haag (thans het Kabinet van de Koning) en Brink 68 te Deventer. Een ‘visueel contact’ met de buitenwereld was echter wel een vereiste. Aan het eind van de negentiende eeuw begonnen de menselijke figuren uit wandschilderingen vaak te verdwijnen - het arcadische en bucolische gehalte nam in de Belle Époque drastisch af, zou men kunnen zeggen - en rond 1900 was deze vorm van “de tuin in huis halen” doorgaans beperkt tot de muren van serres en vestibules.

Trompenburgh

Na een verkwikkende en zeer goed verzorgde lunch - een ware cornucopia van broodjes en sandwiches was uitgestort - werd het gezelschap in twee groepen rondgeleid door en óp Trompenburgh.

Het huis Trompenburgh werd gebouwd in opdracht van de befaamde vlootvoogd Cornelis Tromp (1629-1691), luitenant-admiraal-generaal van de Republiek en later opperbevelhebber van de Deense marine. Het geheel door water omgeven Trompenburgh heeft dan ook (niet geheel verrassend) de vorm van een schip; het dak heeft ook geenszins toevallig veel weg van een scheepsdek, vanwaar de aanwezigen - met een frisse zon aan de hemel - konden genieten van een prachtig zicht op dit zo bijzondere huis en op de omgeving. Het huis bestaat uit een woongedeelte (‘corps de logis’) met houten buitenmuren; door een gang is dit bouwvolume verbonden met een groot, octagonaal paviljoen, waarin zich de koepelzaal bevindt. De wandbespanningen en schilderingen in deze zaal verheerlijken Cornelis Tromp, diens nog beroemdere vader Maarten Harpertsz Tromp en hun martiale daden op zee. Bij de laatste restauratie zijn diverse opmerkelijke zaken aan het licht gekomen, zoals lange tijd verscholen schilderingen en een met grisailles beschilderde lambrisering.
 


In de periode 1675-1684 werd het huis opnieuw opgebouwd nadat de Franse troepen het in 1672 grotendeels hadden verwoest - een represaille omdat Tromp weigerde hen een forse brandschatting te betalen. In 1678 werd het huis ‘Syllisburg’ gedoopt, nadat Tromp in 1677 door de Deense koning Christiaan V was verheven tot graaf van Syllisborg. Het verblijf op het land - hoe mooi ook - kon Tromp, bepaald geen landrot, overigens niet altijd evenveel bekoren en hij scheen er geregeld zijn toevlucht in de drank te hebben gezocht; Christiaan Huygens dichtte althans over de admiraal: “Hij sitt op ’s Gravenland, die t’scheep veel wond’ren dee: Hij waer veel dienstiger, dunckt mij, op ’s Graven Zee”. In de achttiende eeuw werd de naam Syllisburg gewijzigd in Trompenburgh, als eerbetoon aan de grote zeeheld. Met Paleis Huis ten Bosch is Trompenburgh één der meest unieke zeventiende-eeuwse gebouwen van het land, dat vooral door het bijzondere ontwerp, de enorme koepelzaal en de interessante schilderingen in het interieur een opvallende verschijning onder de Nederlandse buitens mag heten.


Gedachten aan de stroom: de Maaskamer

Hoewel het voor zowel de spreker als de toehoorders soms een opgave kan zijn om meteen na de lunch ten tonele te moeten verschijnen (c.q. de aandacht erbij te houden) wist ook de vierde spreker, Prof. Dr Johan de Haan, eenieder te boeien met zijn “Gedachten aan de stroom” - overigens een “generieke titel”, zo merkte hij op, die al sprekend nader ingevuld zou worden. Prof. de Haan ging in op de zogenaamde ‘Maaskamers’, die met enige fantasie ook onder de noemer ‘tuinkamer’ geschaard zouden kunnen worden. De Maaskamer was een fenomeen dat welbekend was in Maassteden zoals Rotterdam (bijvoorbeeld bij de huizen Haringvliet 34 en Haringvliet 94) en Dordrecht (Wolwevershaven 9). Vanuit deze uitgebouwde kamers, een soort uit het huis stekende koepels, overhangend boven de Maas, kon men een prachtig uitzicht genieten op het water (in de collectie van het Museum Rotterdam bevindt zich nog een fraaie tekening van een “Kamer met uitzicht op zee”) en de (eventueel) nog aan dat water grenzende tuinen. Dergelijke koepelkamers werden vaak gecreëerd ter vervanging van een zogenaamde “Maashuijs” in de tuin.

In het bijzonder ging Prof. de Haan in op de Maaskamer van voornoemd huis aan de Dordtse Wolwevershaven, waarbij een uitgebouwde kamer - gestut door diagonaal geplaatste palen - boven het water hangt. De kamer werd gebouwd in opdracht van Pompeius Hoeufft (1740-1783), secretaris van Dordrecht, die in 1780 zijn “coepelcamer agter zyn huys op de Wollewevershaven” verplaatste en het stadsbestuur om toestemming verzocht deze “7 voet te doen uytspringen” uit de achtergevel. Hoewel het van buitenaf niet zichtbaar is blijkt de Maaskamer van binnen geheel rond te zijn, een vorm die ook bij dergelijke ‘tuinkamers’ (om deze naam maar weer te huldigen) van veel andere huizen (bijvoorbeeld Paviljoen Welgelegen te Haarlem), buitenplaatsen (zoals Rhijnhof bij Leiden) en kastelen (Huis te Warmond) valt te bespeuren. 

De Maas- of koepelkamer heeft een prachtig neoclassicistisch interieur - Prof. de Haan opperde dat neoclassicisme als de “stijl van de patriotten” beschouwd zou kunnen worden - en is ook voorzien van “commoditeyten” zoals een fonteintje en haard.

De ‘salle des fleurs’ in Villa Noailles

Tot slot - last but certainly not least - voerde Dr Ir Mariël Polman het gezelschap in gedachten mee naar het mondaine en zonnige Hyères, meer bepaald naar ‘Villa Noailles’, waar Theo van Doesburg (1883-1931) een ‘salle des fleurs’ creëerde. Deze villa werd tussen 1923 en 1933 gebouwd naar een ontwerp van de Franse architect Robert Mallet-Stevens (1886-1945) in opdracht van Vicomte Charles de Noailles en diens echtgenote Marie-Laure (née Bischoffsheim). Bij het ontwerp van het interieur betrok Mallet-Stevens tal van kunstenaars, waaronder de Nederlanders Theo van Doesburg en Sybold van Ravensteyn. 

In het huis was - ten behoeve van het schikken van bloemen - een ‘salle des fleurs’ ingericht, een kamer die weliswaar qua omvang uiterst bescheiden was (113,5 bij 148 cm, 225 cm hoog), maar waarvan het interieur eveneens nauwkeurig ontworpen werd; hiervoor werd in 1924 Theo van Doesburg in de arm genomen. Zijn “elementair dessin” begon met een diagonaal, als contrast met de verticale en horizontale lijnen van de architectuur. Het ontwerp van Van Doesburg sluit ook fraai aan bij de kubistische tuin van ‘Villa Noailles’, tussen 1924 en 1936 aangelegd door Gabriel Guévrékian. Van Doesburg was echter hoogstwaarschijnlijk niet persoonlijk betrokken bij de uitvoering van zijn ontwerp. 

In 1968 ontdekte Jean Leering, directeur van het Van Abbemuseum, dat het ontwerp niet goed was uitgevoerd: de kleurvlakken zoals beoogd door Van Doesburg waren in 1925 door een lokale schilder rechtstreeks van het ontwerp overgenomen, terwijl deze eigenlijk gespiegeld weergegeven hadden dienen te worden. Dr Polman onderscheidde drie situaties: de ‘salle des fleurs’ zoals deze in 1924-1925 door Van Doesburg was ontworpen, zoals deze in 1989 was gerenoveerd en ten slotte zoals deze door Van Doesburg was bedoeld. Martine Posthuma de Boer heeft, in nauwe samenwerking met Dr Polman, diepgaand literatuur-, laboratorium- en stratigrafisch onderzoek (in situ) uitgevoerd om nauwkeurig in kaart te brengen welke uitvoeringen de ‘salle des fleurs’ heeft gehad, alsmede materiaaltechnisch onderzoek naar de eerste uitvoering van de schildering. Uit dit onderzoek kon worden geconcludeerd dat het kleurenschema zoals in 1925 door de schilder werd aangebracht op sommige punten afweek van het ontwerp en dat de kleuren van toon enigszins verschilden. De restauratie van 1989 komt evenmin overeen met het origineel uit 1925, noch met het ontwerp van Van Doesburg - hierbij was het ontwerp gespiegeld uitgevoerd en was de verhouding tussen de diverse kleurvlakken gewijzigd.

Met veel knisperend gefröbel probeerden de toehoorders nadien aan de hand van een door Dr Polman aan eenieder uitgereikte vel met het ontwerp van Van Doesburg de ‘salle des fleurs’ te reconstrueren, hetgeen toch een grotere opgave bleek dan men zou denken... Met een borrel werd deze interessante dag beëindigd, waarna eenieder verrijkt met kennis over ‘tuinkamers’ in de breedste zin des woords in de vroege avond huiswaarts keerde.


 

Olivier Mertens
eigenaar Artmorial